Het feit dat ik weiger mee te strijden, om competitief te zijn en te willen winnen, wil niet zeggen dat ik niet geïnteresseerd ben in de genoemde resultaten; ik ben niet bereid de eraan verbonden risico’s te nemen en de rompslomp eromheen te aanvaarden. Dat maakt me misschien lui en laf, maar niet dom of on-ambitieus. Die conclusie zou kortdoordacht zijn.
Is het raar om te hebben gedacht: “dat zal ze leren!”, toen er twee vliegtuigen het TWC invlogen? Sluit dat uit dat ik daarnaast, daarna, sindsdien, óók heb gedacht: “het is verschrikkelijk”?
En áls ik dat heb gedacht (en dat heb ik), betekent dat dan automatisch dat ik geweld verheerlijk, een extremist ben, een vijand van de staat?
Is het raar om soms te denken: “hij is zwart”, wanneer ik iemand zie die zwart is? En zelfs soms “heb ik mijn portemonee nog?”. “Is er daar verderop niet óók nog een zitplek?”. “Hoe zou zij eruit zien zonder truitje, in mijn bed?” Zijn dat in zichzelf slechte gedachten? En stel dat dat slechte gedachten zijn, maakt het incidenteel hebben van die gedachten mij dan ook slecht? Net zoals het af en toe hebben van goede gedachten mij niet voor altijd goed maakt? See what i did there?
Met andere woorden: het hebben van gedachten waar je zelf soms van schrikt, die je zelf bevraagt, waar je met enige schaamte op terugkijkt: dat is het probleem niet. Dat mag, dat is goed, dat deed je moeder ook, en Ghandi, en Mandela en wie-het-dan-ook-moge-zijn-wie-je-bewondert. Je mag meepraten en je mag erop staan serieus te worden genomen , onafhankelijk van of je dat overkomt (het hebben van die gedachten). Je hoeft dat niet eerst af te leren of zoiets. Eenieder die je dat wil doen geloven: wantrouw hem of haar.
Erken dat je soms dingen verkeerd doet of ziet of voelt. Niet elk gevoel, elke gedachte of inzicht is een colloboratie met het gevoelde, gedachtte of geziene. Je kan je vergissen. Dat mag. En dat verplicht je tot niets. Zelfs niet tot het niet meer maken van dezelfde vergissing.
Er zijn dagen waarop ik mij totaal niet weet te verhouden tot tot de wereld. Alles buiten de vensters van mijn ogen komt me voor als een totaal arbitraire interpretatie van iets heel anders, iets veel minder beslists. De anatomie van mijn handen en vingers ontroert me, het mechaniek van mijn ogen en de spieren die mijn oogbol besturen, en de lens en de lichtval en de wetenschap dat er een soort kabels van de achterkant van mijn ogen naar mijn hersenen lopen en dat ik die informatie dan op een bepaalde manier interpreteer en dat ik daar dan woorden voor heb en dat ik die woorden kan uitspreken en dat jij die woorden dan hoort en hopelijk een vergelijking kan maken tussen de afgesproken betekenis van die woorden en een eerdere eigen ervaring met iets waaraan je vergelijkbare woorden gaf, of de herinnering waaraan je met dezelfde woorden labels hing alvorens je ze opborg: de compexititeit en onwaarschijnlijke fragiliteit van dat systeem maakt me van slag en sprakeloos en geeft me een gevoel van eindeloze voertuigheid. Ik ben een enkele verhuisdoos in de enorme verhuizing van de soort en de aarde en alles erop en haar geschiedenissen, dwars door de tijd. Dat wat ik als mijzelf beschouw is afleiding. De film in het vliegtuig die ons ervan weerhoudt te twijfelen aan de constructie van de vleugels en de angst verstomt, de angst die onheroepelijk komt als je nadenkt over waarom het waanzin is om met 100 mensen in een afgesloten blikje hoog door de lucht om een bal te vliegen, een bal met erom een klein laagje adembare lucht, in een zwart vacuum. Zonder einde en zonder begin.
En er zijn dagen waarop het wel gaat, en ik kijk naar plaatjes van katten op het internet.
Ik zit op de vijfde verdieping van een kantoorgebouw en kijk uit het raam. Er rijdt een auto langs en ik vraag me af hoe ik daarover moet denken. Wat betekent dat? Moet dat wel?
Uit het raam zie ik een heel klein stukje van Den Haag, een van de vele steden in Nederland. Een van de vele landen in Europa, en dan nog een van de kleinste. En Europa is dan ook nog eens een klein werelddeel, op een wereld die vooral uit water bestaat. De hoeveelheid dingen, kortom, die buiten mij gebeuren, is enorm. En de hoeveelheid dingen die er nu al in mij gebeuren, als reactie op de miniverzameling van dingen die ik kan zien en horen of waar ik weet van heb is al zó overweldigend… Hoe kan ik tot een andere conclusie komen dan dat het leven te veel is voor mij? Ik kan me er niet toe verhouden op een manier die me niet overlaadt, niet verloren laat voelen.
Ik denk vaak en veel en ik let goed op de dingen die er rondom mij gebeuren. Al kan je betwisten in hoeverre ik echt nadenk. Ik verzamel materiaal. Veel meer dan ik nodig heb, vaak. Maar het is moeilijk vooraf te weten wat ik nodig zal hebben als het moment daar is. Het moment dat ik niet of maar half oplet, dat moment waarop ik in bed lig, of op de bank, een kopje koffie drink op het terras of mijn balkon; dat moment waarop ik met hele andere dingen in de weer ben, of in elk geval niet met het object van mijn nadenken (vaak tússen adere dingen in). Het zijn die momenten waarop me ineens iets helder wordt. Iets waarin ik ook duidelijk een aantal van de door mij verzamelde bouwstukken herken, maar dan opeens in samenhang. Een gebouw gebouwd terwijl ik andere dingen deed. Met de materialen die ik verzamelde in de veronderstelling ze nodig te hebben voor een verstandelijk keuzeproces. Maar dat bouwen is misschien ’s nachts gebeurd ofzo. Maar zonder mij, in elk geval. Desondanks: het gebouw doet mij besluiten, de verzamelde delen niet. Dus welk stuk is dan eigenlijk het nadenken?
De mechanische mens in mij laat zich soms voelen. De droom waarin mijn ledematen stevige opgeblazen en licht-suizende worsten zijn, als de torens van een luchtkasteel voor de erin rondtuimelende kinderen, is het moment waarop de afstotende werking tussen mijn lijf en mij enerzijds, en de werkelijkheid anderzijds zich het heftigst manifesteert. Ik voel me mij voorin mijn voorhoofd, in de controlekamer achter mijn ogen, tussen de kwetsbare wanden van mijn slapen. De wereld overziend. Op zoek naar de snelste weg erdoorheen. Als ik mijn geld niet hoefde te verdienen om een huis te kunnen betalen en kleren te hoeven kopen om op werk te kunnen verschijnen om geld te verdienen om…: ik zou mijn dagen vullen met de wrijving. Tussen vijn vingertoppen en de naden van mijn spijkerbroek, tussen mijn voetenzolen en de vloer, kleverig wanneer bijna droog. De beweging als ik slik, het geluid in mijn hoofd als ik zachtjes aan een kriebel krab. Hoe mijn tong in mijn mond ligt, half tegen mijn tanden aan, als een luie hond in een te kleine mand. Het is gewoon genoeg. Alles meer is extra en al snel te veel. Overdadig. Laat me maar.
Via marktplaats koop ik een kamerfontein. Jij zei dat dat iets voor tokkies is. Ik deed het toch. De ene tokkie is de andere niet. Ooit deed ik mee aan een brainstorm over een slogan voor de renbaan Duindigt. mijn beste idee: “laat het paard in je los”. Nooit meer iets van gehoord. Nu dacht ik: ik laat de tokkie in me los. Voila.Eens per jaar huurt mijn familie een huisje op de Veluwe. Dat doen we al jaren. Mijn moeder (nu 70) ging er als jong meisje al naartoe op vakantie.
Voor het huisje is een soort kleine rotonde. Middenin de rotonde een wilde tuin. De bedekking van de rontonde zelf was altijd een soort bospad-ondergrond. Zacht en geruisloos en mossig. Een paar jaar geleden werd met die traditie gebroken. De rotonde is nu een grindpad, met prachtige kiezels. Ik weet weinig van stenen, maar deze vrienden lijken echt. Voor mijn amateuroog. Met afgesleten laagjes en al.
In het bakje van mijn aangeschafte kamerfontein maak ik een mooie opstelling van de steentje die ik van de bosrotonde meenam. Want zoals elk kind hoort te hebben geleerd van franse beekjes: natte kiezels zijn veel mooier dan droge. Maar wat bleek: je krijgt nooit alle kiezels bovenaan, en je krijgt nooit alle kiezels nat.
Soms zou ik zo graag willen dat iemand mij wil interviewen dat ik het van gekkigheid zelf maar doe, in gedachte, onder de douche, tijdens de afwas. Op de fiets. Ik lijk mijzelf dan best wel boeiend en ter-zake-doend te kunnen vinden en vraag me af op ik representatief zou kunnen zijn voor jullie; of ik een gemeenschappelijk gevoel of verlangen zou kunnen vertegenworodigen of uitbeelden, voor jullie; jullie aan wie een interview met mij wordt onthouden. Omdat er nou eenmaal, op basis van de gebruikelijke indicatoren – auteurschap, regisseurschap, mening-hebbend, bezit van een fotogeniek lijf, enz. – weinig reden blijkt voor de interviewers van julllie periodieken mij te benaderen. Maar ik, ik vind mij best veelzeggend en mysterieus. Juist door de betekenisvole stiltes en fronsen. Want niet alles is te zeggen. Misschien is dat wat ik zou kunnen zeggen. Een meta-kritiek op het medium interview, ín een interview. Ala Coetzee. Op die momenten denk ik dat ik best wel snapbaar zou kunnen zijn, als iemand maar de juiste vragen stelde, en dan prijs ik mijn eigen bescheidenheid als ik me voorhoud dat mijn weerzin niet-gestelde vragen zomaar zelf te beantwoorden voortkomt uit het volgen van de principes. En als we dat allen eens zouden doen. En daarbij knikt interviewer-ik naar geintervieuwde-mij, en dan begint de eindtune van het radioprogramma. En niemand ziet me fietsen. Niemand vraagt me wat.
De korte versie gaat zo: er gebeurt teveel, de hele tijd. Op de fiets door de stad kom je mensen voor het eerst en voor het laatst tegen. Er bestaan apparaten op gevels overeind te houden waarvan het hele achterliggende pand gesloopt is. Mensen werven wereldwijd sponsoren voor slimme polsbandjes met chips en sensoren erin. Ze verkopen pentekeningen via eigen webshops. In Groningen boren we naar gas en nemen de aardbevingen op de koop toe. Groningen is net ver genoeg om niet naar de klachten te luisteren. Elke dag gebruik ik bestek en een koffiemok. ’s Ochtends trek ik schone sokken en een verse onderbroek aan. Ik was en af, steeds weer. Ik eet, ik loop en soms bel ik mijn moeder. De baas van het bedrijf waar ik werk zat tegenover me tijdens een etentje ter ere van het afscheid van een andere collega. Er waren toespraken en cadeau’s en er werd gezongen. Vals welliswaar. Maar toch: zang. We spraken over haatzaaien. En of dat mag. En wat het is. Ik vroeg me af of haatoogsten niet veel erger is. En wie het onderscheid dan bewaakt.
Toen ik en het internet nog jong waren, las ik over the anarchist cookbook. Dat was een beroemd, of befaamd, boek, waarin concrete instructies voor het maken van bommen werd beschreven. Het was frowned upon, maar niet strafbaar om dat te verspreiden en te delen. Net als de peer-to-peer van de tijden van kazaa.
De maandag na het weekend volgend op het etentje sprak ik mijn baas. Hij had gevonden dat ik de discussie bemoeilijkte door het gesprek steeds basaler te maken, in plaats van een oplossing te willen vinden. We lachten erom en gingen weer aan het werk.
Maar in de kern is de zaak: het meest basale aspect van alles, de voortdurende beweging, herhaling, het nooit weer even de klokken gelijk zetten: ik wil het niet. Ik wil niet voortdurend achter de feiten aanlopen. Maar de beweging niet voelen lukt ook niet. Dat is inderdaad geen oplossing, maar wel een soort antwoord. Toch?
Mijn hele manier van doen is gebaseerd op het vermijden van competitie. Ik wil niet met iemand wedijveren, ik wil niet met iemand strijden. Ik wil niet kunnnen winnen, ik wil niet kunnen verliezen. Ik wil er alleen maar mogen zijn. En dat er dan een soort afspraak is dat sommige dingen mij toekomen, en sommige dingen jou. En dat we dan verder niet hoeven te praten of moeilijk te doen over voor wat wat geldt, omdat dat gewoon zo is.