Het is raar: ik zou willen dat ik je kon laten zien of begrijpen wat me dwars zit, maar de enige manier die ik daarvoor heb, woorden, drijven me af van wat het is. Het lukt me niet te benoemen wat ik zo goed ken. En wélke woorden dan? Terwijl indirect, afgeleide woorden; het beschrijven van de grenzen om daar dat wat ik niet kan beschrijven te isoleren, in de hoop dat het je duidelijk wordt, een schier eindeloze excersitie is. En bovendien: dat veronderstelt een solide set grenzen. Dus ik moet blijven zoeken naar iets wat duidelijk maakt wat ik bedoel, óf dat wat ik bedoel moet veranderen. Maar dat heeft het nog niet structureel gedaan. Wachten. Iets anders zit er niet op

Op een bepaalde manier is dat wat je samen maakt zolang je samen bent net zozeer een kindje als een kindje een kindje is; geen vlees en bloed; geen gehuil en gepoep, maar een co-productie nonetheless. En iets waar je, als je het geluk mocht hebben er een van die te zijn -samen voor zorgt. Juist ná. Juíst na.
Was ons verdriet maar om de week een paar dagen bij jou. Dat ik ook eens uit kon slapen.

Er komt een dag waarop alles wat ik denk over denken, over wat anderen hebben bedacht om dingen onder woorden te brengen, uitgeprobeerde perspectieven en zelfopgelegde beperkingen samenkomen tot een zin, een alinea, een boek desnoods – waarin iets duidelijk wordt. Een gevoel wat we allemaal kennen, al is het misschien maar een kleintje, maar ik voel aan mijn water dat er iets ligt, hieronder. De metaaldetector piept zachtjes en ik graaf. Voorlopig zal het modder zijn, maar wie weet wat er onderligt. Houd vertrouwen. Wat kunnen we anders nog dan dat?

Er is trots te halen uit de dingen doen op de manier waarvan je weet dat die de juiste is. Niet de snelste of de eenvoudigste of de comfortabelste: de juiste. Waarvan je soms zou willen dat je er niet van wist. Daarom is het soms lastig iemand te zijn die die dingen doorziet: omdat je doorhebt dat het zo werkt, en vooral omdat je van veel dingen die juiste wijze kent. Hou jezelf niet voor de gek. Daarvoor is het dan te laat.

Wakker worden met de restjes van een zoete droom over een vrouw met wie je de dingen deed waarvan je, toen je haar nog af en toe sprak en vooral: toen je haar onmoette, wist dat het zo zou zijn. Waarin alles precies zo goed en fijn en echt was zoals je het toen voorvoelde, met de wetenschap dat het een droom was, een echte droom, in de zin dat het niét werkelijk was en ook nooit zal worden – daaruit wakker worden moet welhaast de ruwste vorm van ontwaken zijn. Het voelt verdraaid alleen, en die zoete stukjes van hoe het had kunnen, nee moeten zijn blijven lang hangen, en maken het zure extra zuur.

Als we alle onzin, zoals ‘als je iets echt wilt dan kan je het ook’, of ‘als de tijd rijp is’, of ‘de aanhouder wint’ die we onszelf – ter bescherming van onszelf, ons imago of tegen depressie, gevoel van mislukking en desinteresse – voorhouden overboord gooien, dan ontkom ik niet aan de gedachte, dat de kans dat hoe mijn leven eruit ziet lijkt op hoe ik dacht dat het eruit zou zien waarschijnlijk verwaarloosbaar klein is. De kans dat ik niet met mijn droompartner (v) op een woonboot in de zon van een kopje koffie zal genieten met een familie kleine eendjes vrolijk spetterend rond ons terras aan het water is nou eenmaal veel groter dan dat het wel gebeurt. Niet alleen omdat het vrij specifiek is (alhoewel eventueel op delen open voor onderhandelingen, als iemand toch kansen ziet), maar ook omdat dat (dat ieders droom (of gedroomde verwachting) bereikbaar is) nou eenmaal niet is hoe de wereld werkt. Als we alleen al kijken naar de hoeveelheid geld die ervoor nodig is om de gewenste toekomst van elk levend mens (ik laat de doden even buiten beschouwing, al zouden die, als je eerlijk bent, waarschijnlijk voor veel meer dan de helft tegen hun huidige zijnssituatie gestemd, wanneer ze er (vooraf!)naar gevraagd was) te verwezenlijken, dan moeten we toch constateren dat de inflatie als gevolg van de hoeveelheid bijgedrukt benodigd geld de hele droom weer in een ander daglicht zou stellen, waarmee de droom dus, als een slang die aan zijn of haar eigen staartje knaagt, alsnog onvervuld blijft? Toch?

We leven in een tijd waarin je wordt ingewreven dat iedereen die er ok maar een beetje toe doet met enige regelmaat geinterviewd wordt. Als je nog nooit bent geinterviewd, als er nog nooit iemand hard heeft zitten denken over wat jou te vragen, niemand ooit onderzoek deed naar je drijfveren; je telt niet mee. Het hoeft trouwens niet eens echt diepgravend te zijn: een paar vragen over wat jij mooie dingen vindt, uit welke tweedehands winkeltjes jij je spullen voor je nonchalant-hippe huis kocht of welk boek je leven veranderde: het is al iets. Met een avondvullende geholpen masturbatie als zomergast als toppunt. Maar de groep aan de andere kant van de schutting is zoveel groter. Jij en ik: de groep over wie niemand wil lezen. De gezichtslozen, de mensen zonder wie de bladen prima kunnen, qua inhoud. Maar niet qua afname. Wij kopen. Dat is ook belangrijk…

Drs. P spookt door mijn hoofd. “Als ze slaapt, zegt ze dat ze droomt van mij, hoe ik, met een ander vrij, als ze slaapt”.

Ze snurkt zacht als ze slaapt. Áls ze slaapt, want dat wil slecht lukken. Zorgen, tobsels, wij.

Als ze slaapt draait ze met buik, billen en benen een soort rondjes, alsof ze veel voorzichtig een kuil aan het graven is om in te liggen, als een duitser aan zee. Een woelmeisje noemde ik haar. Ze vond het niet erg. Beter dan toen ik haar punteslijper noemde. Wat natuurlijk ook nergens op sloeg.

Ik had nooit gedacht dat ik een hartebreker zou kunnen zijn. Ik was dat ook nooit. Nemand die ik ken zal dat van mij gedacht hebben. Misschien mijn moeder, omdat het nou eenmaal een van de centrale dingen is die je doet als je iemands moeder bent: zijn of haar mogelijkheden overschatten. Mijn moeder denkt dat elke vrouw zich in de handjes zou mogen knijpen met mij. En, misschien, denkt ze wel eens dat dat hartezeer zou kunnen opleveren, ergens in die horde, achter het dwanghek. Maar van dat groepje mensen met een reeel beeld van mijn marktwaarde vermoed ik weinig aanhangers van de theorie dat ik een ravage achter laat, een grindpad van geboken harten. Pathetiek: ja, allicht. Don juan: neen. En desondanks: het is. Het blijkt. Ik kan het blijkbaar. Ik wil het niet, ik vecht ertegen. Maar het gebeurt. Wie had dat ooit gedacht? Behalve mijn moeder?

Ik zit in de bus. Naast mij iemand die muziek luistert en die muziek staat heel hard en klinkt zo regelmatig als een ruitenwisser. Met af en toe een irritante toeter er doorheen. Achter mij zit een oude kerel die zich steeds aan de rugleuning van mijn stoel optrekt en dan weer neer laat zakken in zijn stoel. Dat zit niet lekker. Voorin zitten twee dames te kletsen over de hond van een van hen. De ene zegt “het is een golden retriever”. De ander:”dat dacht ik al”. Tussen hen in ligt het schoolvoorbeeld van een golden retriever. Het uithangbord voor het ras. Deze hond staat op het etiket, meestal. Ze had ook kunnen zeggen “is dat een hond?” Dat was niet heel veel minder dom geweest. De oude man achter mij hoest in mijn nek. Het meisje achter het meisje met de muziek heeft nu ook muziek. Ook slechte stinkmuziek, en nu vermengd met die andere herrie. De man achter mij houdt er niet van zijn hand voor zijn mond te houden. De buschauffeur toetert naar auto’s die niet doen wat hij wilt. De bus zoemt als een hommel als ie stilstaat. Een soort vliegwiel? Hebben ze dat hier? Er komen nieuwe mensen de bus in. Een van de twee begint een verhaal te vertellen terwijl haar/zijn (?) kaartje nog stevig tussen de tandjes geklemd zit. Het klinkt als een mongool. Ze verstaan elkaar heel slecht. Dus praten ze nog wat harder. En heel plat. Ze praten over het songfestival en over sjoelen.

Toen ik de bus instapte vroeg ik aan de buschauffeur of we ook in Loenen stopte, want daar moet ik zijn. Onder nadere, mompelde de buschauffeur, met een voldane grijns. Ok, zei ik. Maar ik hoef er maar één keer uit. Dat vond ie niet grappig. Een van de twee met het kaartjeindemond blijkt een aziaat die ook zonder kaartje tussen de tanden klinkt als een platgestampte cavia. Er komt een man de bus in met als enige bagage een doorzichtig platic zakje met daarin een bakje yohmasalade. Hij heeft een auberginekleurige broek aan, met witte sokken in zwarte schoenen. Mijnheer achter me hijst zich nog eens op. Ik stap uit. In Loenen.

Copyright 2013 ikvergisme // Aangedreven door WordPress