Uncategorized

“Gaat alles goed daar?”, roep je vanuit de kamer, eerder dan verwacht. Ik schrik op uit mijn gescharrel en zie dat het schuimige laagje op mijn sterke espresso al een klein beetje ingedikt is. Het kruipt donkerbruin tegen de rand van het kopje op, in het midden een klein vijvertje pikzwarte koffie. Ik bedenk me dat ik mijn dekbed moet wassen en zie nu al op tegen de knoop waarin hij altijd uit de droger komt. Ik kom er maar niet achter hoe dat zo komt. Met alle sokken onderbroekjes in de uiterste puntjes. Misschien omdat mijn droger maar één kant op draait? Of doen alle drogers dat? En: als ik mijn dekbed dicht zou maken met veiligheidsspelden om de sokken buiten de deur te houden, zou ik dan het risico lopen mijn droger kapot te maken? Het schiet door mijn hoofd terwijl ik terugloop de kamer in. “hmmm”, mompel ik, “alles best”. Ik ga zitten, kijk naar buiten en neem een slok koffie. Was je maar hier, denk ik. Terwijl je tegenover me zit.

De directeur van het bedrijf waar ik werk vertelde me gisteren een verhaal over snelwegen in India of Bangladesh of Taiwan of Vietnam. Dat wist hij ook niet meer precies. Aanleiding was mijn verhaal over hoe leuk ik het zou vinden om met een ezel op stap te gaan. Tent en slaapzak in een tas, tas op de ezel, ik ernaast en lopen maar. Op goed geluk. Het mooiste daaraan lijkt me de onnozelheid van het team. De ezel met een eigen agenda en wil, ik zonder agenda en richtingsgevoel. En desondanks: op elkaar aangewezen. Het vereist een soort niet-gehechtheid aan het resultaat wat mij erg ontspannend lijkt. Mijn praktische directeur hielp mij hopen dat de ezel niet koppig voor de snelweg zou kiezen in plaats van het idyllische bospad. Vandaar de snelweg als onderwerp.

Hij vertelde me over een item in een programma, of misschien wel een hele documentaire, over een soort hulpverleners in een van de genoemde landen. Het kwam er op neer dat er een soort hulppost langs een snelweg stond, met een zitgelegenheid en misschien een radio, een toilet, een cola-automaat. Daarvoor een stel auto’s en wat mannetjes. En: een telefoon. Een rinkelende telefoon betekende actie: er was iets loos op de weg. De mannetjes rennen naar hun auto’s, trucks, karren en vrachtwagentjes en gaan op pad. Om wat te doen? om te helpen. Lekker ruim. Een aangereden koe, een kettingbotsing, een in de sloot geraakte bus, een klapband: allemaal goed. Niemand beloofde gelukkig dat het betreffende probleem ook daadwerkelijk opgelost zou worden, maar bij problemen is hulp nooit écht onhandig. Dus hop: daar gingen ze. Een stoet hulp richting de ‘situatie’. En dan maar zien of er nog wat aan te doen was.

Dat moet je in Nederland niet proberen. Als je geluk hebt wordt je niet opgepakt. Zomaar gaan helpen vereist allerlei diploma’s, en niemand heeft ze allemaal. Een soort algemene ‘hulpverlener’ hebben we allang niet meer. Het moet gespecialiseerd, bekwaam, gediplomeerd en gestempeld. Ik kan, als ik erover nadenk, niet veel helpen. Ik ben geen dokter, geen techneut, geen psycholoog. Maar dat wil niet zeggen dat ik niet een hoop hulpbereidheid heb. Maar waar moet ik daarmee naartoe? Ik heb niks of niemand om mijn hulpbehoefte op te botvieren; niemand om te ondersteunen, om iets voor te verhelpen of te verbeteren.

Dat is ook wel iets wat de ezel en mij in mijn hoofd zo’n fraai stel maakt: we zijn zo hulpeloos als wat. Weinig problemen die we zouden kunnen tegenkomen  kunnen we overwinnen. We zijn genoodzaakt ons nederig op te stellen, overal omheen te lopen. Hoe lang dat onze omweg ook mag maken. We hebben geen keus, of opties. Alleen elkaar. En allebei borstelige wenkbrauwen.

Volgens mij zoeken we hetzelfde, maar verschillen we in het vertrouwen het bij elkaar te kunnen vinden. Ik geloof dat ik denk dat je beter kan missen dan niet schieten, uit geloof of uit wanhoop. Ik geloof dat zij haar kruit liever droog houdt, uit angst of uit kracht, dat is me niet duidelijk. Maar het resultaat is dat wel: stilstand en toch wrijving. Ik neem haar niks kwalijk, maar dat wil niet zeggen dat het me koud laat.

Als ik uit het raam kijk zie ik ver beneden auto’s krioelen op het kruispunt. Stoplichten, een tankstation, een viaduct en een tramhalte. Alles erop en eraan. Soms, steeds minder vaak, rijdt er een busje langs. Er zijn veel woorden voor auto’s: bak, wagen, slee. Busje is mij het liefst. ‘wat voor een auto heb jij?’ vraagt iemand je terloops, omdat gesprekken naarmate je ouder wordt steeds vaker over auto’s, kinderen, huizen, banen en vakanties lijken te gaan. En dat je dan ‘een busje!’ kan zeggen. Dat lijkt me heerlijk. ‘Busje’ doet mij denken aan het dun metalen blikje waarin mijn oma vroeger de anijsblokjes bewaarde. En aan gestampte muisjes. Ik denk dat dat komt doordat het pak van de gestampte muisjes dezelfde kleur had als het blikje. ‘Gestampte muisjes’ moet wel een van de aandoenlijkste productnamen zijn die ik ken. Hopjesvla is ook mooi. Of poffertjes. Maar gestampte muisjes: welke sadist heeft dat bedacht? (ik snap ook wel dat het niet gaat over muisjes met een snuit en een staart, maar die dingen die je op beschuit gooit, maar toch). Anijsblokjes doen mij dan weer denken aan Wammes Waggel uit ‘Als je begrijpt wat ik bedoel’, waarin hij een uitzendbureau was begonnen (Randwammes) en hijzelf voorlopig de enige uit te zenden kracht was. Hij dronk graag anijsmelk in het café, en werd er dronken en baldadig van. En dan ben je natuurlijk al snel bij Zwelgje, het kleine draakje waar die film feitelijk om draaide. Gelukkig bleef die wijsneus Tom Poes een beetje op de achtergrond. Hoe minder ik die zie hoe beter.

Graag zou ik een busje hebben (liefst zo een zonder echte neus, een blokje op wielen), om rammelend en ratelend ritjes te maken, nergens echt naartoe. Het liefst samen met jou en een doos casettebandjes. Maar het zijn vooral gewoon auto’s die ik zie, met bestemmingen en haast. Ik ben busloos en zonder jou. Wat ik wel heb: een gebrek aan een doel. Die heb ik vast binnen.

Ik stond in de zon en dacht aan wat er mis gaat tussen ons. Ik dacht aan de onderdelen van die gedachte: wat is misgaan? Wat betekent dat? En wat is ons? Waar eindigt ik en begint wij? Wanneer stopt ons met ons zijn en wordt het weer jij en ik? Ik dacht aan jouw vrouw-zijn en aan alleen zijn. en dat allemaal tegelijk en door elkaar heen.

Als je aardbeienjam en haring samen op een boterham doet, kan je erop wachten dat iemand daar raar van opkijkt. Er is iets mis, of ten minste ongebruikelijk. Wat is dat mis-zijn dan precies? Tenzij de haring bedorven is, de jam vies of de boterham oud, is het feitelijk alleen de combinatie die de betreffende boterham mis maakt. De jam is prima, de haring ook en de boterham vers. Los van elkaar. Samen vormen ze een raar stel. Is dat met ons ook zo? Zijn wij elk goed en oke en vrij van blaam, en gaat het mis in de combinatie? Is de boterham ‘wij’ niet goed door de combinatie van twee prima ingrediënten op de verkeerde boterham, is de boterham (dus) het mis-makende ingredient? Of is de combinatie van ons op geen enkele ondergrond een goed idee? Of zou het een goede combinatie zijn als een van onze ingrediënten in betere staat verkeerde?

Wat ik ook dacht: het leven is eenzaam. Hoe kan ik ooit echt bij iemand komen? Ik bedoel: natuurlijk kan ik tegen iemand zeggen hoe ik over iets denk. En natuurlijk is het mogelijk dat diegene een vergelijkbaar gevoel heeft over dat onderwerp. Maar het is onmogelijk om de gedachten, redeneringen, achtergrond, geschiedenis, vermoedens, aannames, teleurstellingen en wat dies meer zij die ten grondslag liggen aan mijn gedachte te beschrijven. En andersom ook. Uiteindelijk zijn we allemaal alleen, zelfs als we samen zin. Juist als we samen zijn, denk ik wel eens.

Misschien, dacht ik, ben ik op zoek naar een oplossing van mijn doorlopend aanwezige en deprimerende gevoel van de onafwendbaarheid van het alleen-zijn. misschien verwacht ik van de boterham, en vooral van degene op die boterham met mij, dat diegene bewijst dat ik ongelijk heb, dat er iets groters, minder aleen-igs is. En neem ik je dan kwalijk als je dat niet lukt.

Het genoegen een hond te hebben, of een ezel, hoop ik snel te proeven. Dieren geven mij, en ik denk velen met mij, rust. Graag zou ik naast mijn huis een grasveldje hebben. Daar zou dan mijn ezeltje kunnen staan. Tenzij het regent natuurlijk. Dan zou hij onder een afdakje kunnen staan. Daar zou dan ook wat te eten en wat te drinken voor hem kunnen staan.

Al ben ik er nog niet uit of het een hij of een zij zou moeten zijn. Misschien ben ik daar vreemd in, maar ik denk dat ik het moeilijk zou kunnen vinden een mannetjesezel zo in zijn blote mannelijkheid naast mijn huis te hebben. Het is niet dat ik me schaam, of dat ik niet weet hoe ‘de natuur’ in elkaar steekt: ik zou het een oncomfortabel gevoel vinden. De ezel zou niet beter weten, dat weet ik best. Ik denk dan ook niet dat hij het oncomfortabel zou vinden (en al zou dat zo zijn: wat zou ik er aan kunnen doen?). Nee: ik zou me bezwaard voelen degene te zijn die het als vanzelfsprekend beschouwt dat hij daar, in alle openheid, bloot en zichtbaar zou moeten staan, enkel omdat ik dat wil of vind moeten kunnen.

Dan liever een damesezel, denk ik. Tenzij damesezels lijken op damesmensen, dan zou ik er nog eens stevig over moeten nadenken. Dat zou immers betekenen dat ik, afgezien van de toch al niet onaanzienlijke mens-ezel-drempel, óók nog eens de man-vrouw-kloof zou moeten overbruggen. Ik stel me de mannelijke ezel voor als een stoere, zij het wat laconieke, dreumes. Rustig tot halverwege zijn enkels in het natte ochtendgras (wat een verschikking zou ik dat vinden!) staan grazen. De dingen een beetje bekijken, stukje lopen, wat luieren misschien. Beetje scharrelen. De vrouwtjes-ezel naar mensenmodel zou mijn afdakje vast niet afdoende vinden. Zij zou mij, zonder het als zodanig aan me kenbaar te maken, vast een ongeschikte en treurigmakende eigenaar vinden. En stilletjes uitkijken naar een betere. Dan liever de man. Die zou me snappen. Die zou begrijpen dat hij en ik elkaar moeten steunen, moeten troosten. Ezels zijn daar goed in, denk ik.

Het eigenaarschap van een ezel zou me, als het is zoals ik hoop, af en toe van dit soort gedachten kunnen verlossen. Mijn aandacht in de werkelijkheid (daar waar er modder onder je nagels komt en je sokken nat worden) nodig hebben. Uit mijn hoofd! De weide in! Ik wil een ezel worden. Of tenminste een hond.

Ik wou dat ik een molletje was; schattig en zwart, blind maar niet dom. En niemand zou het me kwalijk nemen als ik me weer eens verstopte onder de grond, alleen in de warme nattigheid. Dat is wat wij molletjes doen. Molletjes kennen geen politiek, geen strategie.

Ik wou dat ik een molletje was, een kleine zachte zwarte. Ik wou dat ik met mijn buikje over de bodem van mijn zelf gegraven tunnel schurend verder kon graven, op weg naar waar? Ik wou dat dat me niet zou kunnen schelen, dat het molletje zijn en het daarbij behorende graven genoeg zou kunnen zijn. In plaats van alle gedachten over toekomst, verleden, wat ik misschien toen beter had kunnen doen of zeggen, waarom hij misschien wel dit denkt als ik hem dit vertel en hoe het toch komt dat alles er op die bepaalde, koude manier uit ziet.

Ik wou dat ik een molletje was, ergens bij iemand in de tuin. Of bij een slootje in de buurt, waar ik dan niet in zou vallen. Ik wou dat ik een molletje was, met mijn eigen grote hoop. Of misschien wel meer dan één.

Doorgaan heeft niets met passie te maken, ergens mee stoppen des te meer met angst. Succes is de norm, alles minder is falen. Toegegeven, op die momenten dat de norm wordt gehaald brandt het verlangen en het vertrouwen, en lijkt er niets wat ik niet kan. Behalve misschien datgene wat ik niet wil, maar zelfs dat zou ik kunnen als ik het zou willen. Uiteindelijk zal de balans, door toedoen van mijn onhaalbare zwart-wit puntentelling, doorslaan richting falen, omdat dat gebied nou eenmaal veel groter is, en de kans -laten we eerlijk zijn- dat ik werkelijk bijna alles kan, nou eenmaal vrij klein is. Dus ik zal falen. en blijven falen.

Het huisje lonkt. Het idee niet constant te hoeven testen waartegen ik bestand ben, of ik sterker ben, flexibeler. achterover te kunnen leunen tegen de wetenschap dat als datgene wat je weet dat je redelijk af gaat (honger stillen, ademen, niksen, lezen, berusten) het enige is waar je op hoeft te vertrouwen, je je nergens meer tegen hoeft te verzetten, en je gewoon kan zijn.

Leven, uitgekleed, is het managen van de lichaamsopeningen: luister als iemand praat, voorkom uithangende neusharen, kies je woorden zorgvuldig, poets je tanden, kom niet te vroeg klaar, zorg dat je tijdig poept, zodat je niet op andermans pot hoeft te zitten stinken, geef je ogen de kost, behalve als je slaapt. Zorg dat dit voor elkaar is. Alles daarna is bonus.

Dat moment waarop je iemand voor de tweede keer ziet en verrast bent hoe diegene eruit ziet, maar tegelijk denk je ook “oh ja, natúúrlijk ziet hij/zij er zo uit!”. Dat je iemands stem opnieuw hoort en je verbaasd over wat je er in je hoofd van hebt gemaakt. Eigenlijk heb je de eerste keer gewoon heel slecht opgelet. Maar je weet het nog wel. Ergens.

Het lijkt op de angst die je hebt in de periode vlak na iemands overlijden. De periode waarin je bang bent dat je diegene zal vergeten. Dat er in de foto in je hoofd een vage vlek zal blijven op de plaats van diegene zijn gezicht. Of, erger, dat die vlek zal groeien, en dat je ook stemgeluid, beweging en geur zal vergeten. Hoe iemand lacht. Uiteindelijk komen er dingen voor terug oudere flarden, maar zo voelt dat dan nog niet.

Het zijn twee heel verschillende situaties, maar ze lijken op elkaar. Op een vreemde manier.

Copyright 2013 ikvergisme // Aangedreven door WordPress