De directeur van het bedrijf waar ik werk vertelde me gisteren een verhaal over snelwegen in India of Bangladesh of Taiwan of Vietnam. Dat wist hij ook niet meer precies. Aanleiding was mijn verhaal over hoe leuk ik het zou vinden om met een ezel op stap te gaan. Tent en slaapzak in een tas, tas op de ezel, ik ernaast en lopen maar. Op goed geluk. Het mooiste daaraan lijkt me de onnozelheid van het team. De ezel met een eigen agenda en wil, ik zonder agenda en richtingsgevoel. En desondanks: op elkaar aangewezen. Het vereist een soort niet-gehechtheid aan het resultaat wat mij erg ontspannend lijkt. Mijn praktische directeur hielp mij hopen dat de ezel niet koppig voor de snelweg zou kiezen in plaats van het idyllische bospad. Vandaar de snelweg als onderwerp.
Hij vertelde me over een item in een programma, of misschien wel een hele documentaire, over een soort hulpverleners in een van de genoemde landen. Het kwam er op neer dat er een soort hulppost langs een snelweg stond, met een zitgelegenheid en misschien een radio, een toilet, een cola-automaat. Daarvoor een stel auto’s en wat mannetjes. En: een telefoon. Een rinkelende telefoon betekende actie: er was iets loos op de weg. De mannetjes rennen naar hun auto’s, trucks, karren en vrachtwagentjes en gaan op pad. Om wat te doen? om te helpen. Lekker ruim. Een aangereden koe, een kettingbotsing, een in de sloot geraakte bus, een klapband: allemaal goed. Niemand beloofde gelukkig dat het betreffende probleem ook daadwerkelijk opgelost zou worden, maar bij problemen is hulp nooit écht onhandig. Dus hop: daar gingen ze. Een stoet hulp richting de ‘situatie’. En dan maar zien of er nog wat aan te doen was.
Dat moet je in Nederland niet proberen. Als je geluk hebt wordt je niet opgepakt. Zomaar gaan helpen vereist allerlei diploma’s, en niemand heeft ze allemaal. Een soort algemene ‘hulpverlener’ hebben we allang niet meer. Het moet gespecialiseerd, bekwaam, gediplomeerd en gestempeld. Ik kan, als ik erover nadenk, niet veel helpen. Ik ben geen dokter, geen techneut, geen psycholoog. Maar dat wil niet zeggen dat ik niet een hoop hulpbereidheid heb. Maar waar moet ik daarmee naartoe? Ik heb niks of niemand om mijn hulpbehoefte op te botvieren; niemand om te ondersteunen, om iets voor te verhelpen of te verbeteren.
Dat is ook wel iets wat de ezel en mij in mijn hoofd zo’n fraai stel maakt: we zijn zo hulpeloos als wat. Weinig problemen die we zouden kunnen tegenkomen kunnen we overwinnen. We zijn genoodzaakt ons nederig op te stellen, overal omheen te lopen. Hoe lang dat onze omweg ook mag maken. We hebben geen keus, of opties. Alleen elkaar. En allebei borstelige wenkbrauwen.