Ik wou dat ik een molletje was; schattig en zwart, blind maar niet dom. En niemand zou het me kwalijk nemen als ik me weer eens verstopte onder de grond, alleen in de warme nattigheid. Dat is wat wij molletjes doen. Molletjes kennen geen politiek, geen strategie.
Ik wou dat ik een molletje was, een kleine zachte zwarte. Ik wou dat ik met mijn buikje over de bodem van mijn zelf gegraven tunnel schurend verder kon graven, op weg naar waar? Ik wou dat dat me niet zou kunnen schelen, dat het molletje zijn en het daarbij behorende graven genoeg zou kunnen zijn. In plaats van alle gedachten over toekomst, verleden, wat ik misschien toen beter had kunnen doen of zeggen, waarom hij misschien wel dit denkt als ik hem dit vertel en hoe het toch komt dat alles er op die bepaalde, koude manier uit ziet.
Ik wou dat ik een molletje was, ergens bij iemand in de tuin. Of bij een slootje in de buurt, waar ik dan niet in zou vallen. Ik wou dat ik een molletje was, met mijn eigen grote hoop. Of misschien wel meer dan één.