Een van de lastigste dingen vind ik de schijnbare tegenstelling van samenwerking. Ik merk dat de kans dat iemand iets met je samen wilt doen het grootste is als je zelf al bedacht dat je iets ging doen, en dat die iemand zorgen-, probleem- en verplichtingsloos mee kan doen. De slechtste manier om iets samen te doen lijkt de mogelijkheid van succes af te laten hangen van de deelname van de beoogde partner. Met andere woorden: als ik iets met iemand wil doen, moet ik ervoor zorgen dat het me niet uitmaakt of diegene meedoet. Een lastige spagaat. Als ik graag wil dat iemand meedoet, of, erger nog, als ik iets pas kan doen áls die iemand meedoet, dan is de kans dat dat gebeurt het kleinst. De consequentie waarover ik mij het hoofd breek, is dat ik dus eigenlijk zou moeten bedenken wat ik leuk genoeg vind om zelf, alleen te ondernemen. En dan maar te zien of iemand mee wil doen. Ten eerste vind ik dat lastig, en ten tweede zijn er activiteiten die alleen eigenlijk niet te doen zijn: schaken, touwtrekken, tennissen, gesprekken, op een tandem fietsen, enzovoorts. Wat als je heel graag van dat soort dingen doet? Op een club gaan, vermoed ik. Maar dan maken we het nog moeilijker: wat als je graag met een specifiek iemand iets wilt doen? Waarbij het dus niet primair gaat over wat je doet, maar met wie je het doet? Er zijn –grofweg- drie mogelijkheden: (1) je vindt een activiteit die je allebei wilt doen en samen wilt doen, (2) je vindt een activiteit die je samen wilt doen, die de een leuker vindt dan de ander, of, tenslotte, (3) je komt niet tot het zoeken naar een activiteit, omdat je vooraf al weet dat je niks samen wilt doen. Als we die eerste en die laatste optie even overslaan, omdat ze vrij duidelijk zijn (respectievelijk erg leuk en volkomen kansloos), blijft over: een van beide moet, ten koste van de intrinsieke, individuele ‘leukheids-eis’ van de activiteit, concessies doen, ten bate van het samen-doen ervan. Hoe verder de gekozen activiteit af ligt van de individuele voorkeur van de concessies-doende partij, hoe groter de concessie, hoe groter de kans dat het mislukt.

Dus drie regels bij het samen willen doen van dingen: kies iets wat je zelf zo leuk vindt dat je het ook alleen leuk genoeg vindt, en als het iets is wat je perse samen moet doen: wees niet te kieskeurig met wie, en als je iets samen wilt doen en ook nog met een specifiek iemand, wees op je hoede, want het is een glibberig pad!

Soms voelt het alsof er tussen mij en de werkelijkheid een lege ruimte ligt, een vacuüm, een onoverbrugbare afstand, waarover een wind waait die elke poging tot contact wegblaast, onverstaanbaar maakt. Een niemandsland, alsof ik door snel stijgend water gevangen zit op een zandbank, zojuist nog gewoon een stukje strand. Ik tob, ik twijfel, ik weeg af en becommentarieer. Ik leun achterover op de bok, laat de teugels naar mijn functioneren vieren, erop vertrouwend dat mijn lijf de bewegingen kent, mijn hoofd niet nodig heeft.

Maar soms voelt het anders, alsof ik voor mijzelf uit loop, mijn lijf een koppige ezel, de hakken in het zand, ballast die mijn ambities, mijn hoop en mijn plannen vertraagd, dwarsboomt. Dan ben ik zoveel sneller dan mijn gedachten en benen volgen kunnen, steeds moet ik wachten, en steeds zijn de kansen die me inspireerde allang weer verdwenen, tegen de tijd dat ik de boel weer op orde heb. Als een kind, dat met zijn vader op de kermis loopt, overspoeld door indrukken, niet in staat te kiezen welk gekleurd lampje het mooiste is, maar vooral sleurend aan de onwillige vader, die liever naar jonge moeders kijkt dan te doen alsof hij net zo enthousiast is als het kind.

En heel soms, op de spaarzame momenten dat ik en mijn lijf samenvallen, heel soms ben ik in mijn ogen. Mijn gedachten en dromen, mijn lijf en mijn handen in de maat. Heel even ben ik al wel hier maar nog niet daar. Het ritme van mijn hoofd en het ritme van mijn hart in balans. Heel even, tot ik weer een van de andere kanten opschiet.

Terwijl ik op mijn werk zit moet het al een hele tijd stil en rustig zijn geweest in mijn huis. Niemand op de bank, geen licht. een donker en stil huis. Rondom mijn fiets in de fietsenstalling op het station zal het minder rustig zijn geweest, al staat hij nog precies waar ik hem achterliet. Hoop ik. De post die de postbode vanmiddag mogelijk ik mijn brievenbus stopte ligt op me te wachten. Het pak yoghurt wat ik gister kocht staat in een donkere koelkast te wachten tot ik thuis ben. Terwijl het helemaal niet gezegd is dat ik mijn koelkast dan direct open doe. Hoe eenzaam moet het zijn een dag lang te staan wachten, me thuis te horen komen, en dan nóg een hele tijd te moeten wachten tot ik het nodig acht je wat lucht en licht te gunnen. En je dan nog laat staan ook. Allemaal dingen waar ik controle over heb. Die zonder mij lijken te verstillen, pauzeren. Pas weer ontwaken als ik ermee interacteer. Al die invloed. Al die verantwoordelijkheid.

De man naast me in de trein kijkt strijdlustig voor zich uit. Hij heeft zin de dag een lesje te leren, zoveel is duidelijk. Zijn haren zijn nog nat van het douchen of de wet-look gel. Of een beetje van allebei. Hij ziet eruit alsof hij iets ouder is dan ik en stukken fitter. Ik ben maar moeilijk te genieten, vooral ’s ochtends en zo ongeveer nu, eind van de middag. Daartussen gaat het wel, met uitschieters naar beneden.

Het beste deel van de dag is voor mij de avond. En de nacht. Hoe vaak heb ik dingen die écht moesten gebeuren niet uitgesteld tot ná de kroeg, ná die ene film, ná middernacht? Omdat het dan gewoon goed is om stil te zijn. De dingen komen anders over ’s nachts, minder echt, ook in slaap. De nonchalance waarmee al die kleuren de dag doorkomen en brutaal weerstaan geeft me soms buikpijn. En zet me aan tot onnodige middagdutjes. Om het maar niet te hoeven zien. ’s Avonds komt me zoveel vriendelijker over. Een beetje meer gelijk.

De man knijpt zachtjes in zijn eigen neus. Hij doet het zachtjes, afwezig in zijn concentratie in de krant. Hij zal het zich straks niet herinneren, maar hij heeft het echt gedaan. Hij kneep onnodig lang in zijn neus. Hij lijkt tevreden met waar hij naar toe gaat. Hij zal het ook wel weten. En wat hij er gaat doen. Ik stel me voor hoe mensen eruit zien als ze in een boom klimmen. Sommige mensen zullen nooit in een boom klimmen en soms, denk ik, kan je aan iemand zien dat hij dat zelfs als kind niet leuk heeft gevonden. Maar mijn medepassagier is van het frisse hippe soort waarvan ik me moeiteloos voor kan stellen dat ze zelfs nu nog, gewoon om lekker gek te doen, nog wel eens in een boom klauteren. De doerak.

Terwijl we over straat liepen wist ik dat er iets was wat je niet wilde zeggen. Je was anders, maar toen ik je ernaar vroeg ontkende je. Toen ik me terugtrok, gekwetst door je weigering me toe te laten, voelde ik me nog ontoereikender. En zo waren we binnen een mum van tijd beland waar we steeds vaker leken te vertoeven: een staat van zwijgende afhoudendheid. We sjokten door de stad, en wezen elkaar soms verstild op een etalage, een gedachte of een plan. Ontdaan van enthousiasme. Verwondering. Plezier. We waren samen in de smalle betekenis, maar op geen enkele manier tilde het gezelschap van de ander de dag voor één van ons naar een hoger niveau, een niveau wat elk van ons alleen niet had kunnen bereiken. Misschien was het wel beter geweest, alleen, maar wie van ons durfde dat te zeggen? En dus sjokten we voort, gevangen in het idee dat we zonder duidelijke reden geen van beide durfde aan te sturen op even zonder elkaar zijn.

Nog een keer keken we elkaar aan. Ik probeerde met mijn blik mijn bootje verdriet aan te laten meren, maar je hield me af. Het is voorbij, zeiden je ogen. Als een constatering, meer dan een noodkreet. ‘nou’, begon ik, maar bedacht me. ‘ik vind’, probeerde ik, omdat ik weet hoe defensief je kan zijn, hoe je je nagels uitslaat als ik te dichtbij kom, ‘ik vind gewoon’, maar je deed de deur zachtjes dicht, en draaide het slot er op. Er zou zomaar iemand in kunnen breken, tenslotte. Er was blijkbaar niks meer te zeggen. Of te vinden.

Ik hou me voor dat het goed is om eigen ruimte te claimen. Ik zet een stukje grond af, span een touw met daaraan een bordje: ‘Dit ben ik. Buiten blijven aub’. mijn overtuiging is nog niet sterk genoeg om een bordje met een vervaarlijk uitziende waakhond op te hangen, en betreden is nog voornamelijk op mijn risico, maar ik leer. Kleine stapjes richting een gezonder en minder prikkelbaar klimaat.

De rust die de gedachte, dat ik helemaal zelf mag bedenken hoe mijn tuin eruit ziet, me geeft verrast me. Het is best een aantrekkelijke gedachte dat ik niet diegene hoef te zijn die de tuin van anderen beoordeelt of zelfs verzorgt. Het is me niet altijd helder hoe de situatie heeft kunnen ontstaan waarin ik een soort vliegende keep van het volkstuintjescomplex ben geworden, waar ik geen tijd meer heb voor mijn eigen stukje grond en mezelf overwerk door overal bij te willen springen. Als een te scherp afgesteld autoalarm, dat al afgaat als de kat van de overburen zich uitrekt. Maar laat ik daar niet te lang over nadenken. Kop op, borst vooruit en voorwaarts!

Laat ik me eens een tijdje beperken tot de zorg voor mijn eigen tuintje, verwilderd en doorkruist door een snellere route tussen twee paden. Ik begin met een paar paaltjes, nieuwsgierig gadegeslagen door mijn buren. Ik proef voorzichtige achterdocht. Iemand herinnert mij aan een eerder gemaakte afspraak.

Wat een vrijheid: ik mag zelf bepalen wat te planten. De struiken en bloemen hoeven niet eerst door iedereen mooi genoeg gevonden te worden. Als ik besluit iets te willen planten met een te hoge moeilijkheidsgraad, of een kleine kans op succes: DAN DOE IK DAT LEKKER TOCH! Gewoon, omdat ik dat kan en wil en mag. Ik weiger te luisteren naar de bezorgde commentaren van wie-dan-ook. Niet uit onwil, niet uit koppigheid, niet uit tegendraadsheid of arrogantie, nee, simpelweg omdat ik niet wil dat ik iets doe om andere redenen dan de redenen die mij energie geven, die me blij maken, die me mij maken.

Natuurlijk wil ik graag mensen ontvangen, en natuurlijk is iedereen welkom om een biertje of een kop koffie met me te komen drinken. Maar ik hoop erin te slagen de adviezen over hoe mijn tuintje beter kan langs me heen te laten gaan. En ooit, wie weet, mag iemand meedenken. Maar voor nu: laat me maar even. Even buiten blijven aub.

Het valt me soms zo zwaar om de schoonheid die er schuilt, in de moeite die je doen moet om een gewenst resultaat te bevechten, niet te ervaren als een continu op me inbeukende realiteit van de waarschijnlijkheid of zelfs onvermijdelijkheid van verlies, teleurstelling, vergeefse moeite.

Hardnekkig is mijn neiging me terneer te laten slaan door het schijnbare gebrek aan wind in mijn rug, plots en zonder aanleiding mijn kant opvallende toevalligheden, tegenspoed. Zou mijn wantrouwen er eerst zijn geweest, bij voorbaat alles verpestend, besmettend wat ik aanvat, of zou het een snel en voorbarig in stelling gebrachte reactie zijn, die misschien meer tegenhoudt dan per se noodzakelijk, maar wel degelijk een –wellicht dus ietwat overtrokken- reactie op een feitelijke gebeurtenis?

Ben ik somber of werd ik somber, kortom. Iemand?

‘Soms vraag ik me af of ik wel geschikt ben om met iemand samen te zijn’, zei ze. Ze keek me aan, zoals zij dat kan: haar ogen onderzoekend, haar mond in een uitdagende glimlach. En dan zoiets indringends zeggen. Eerder had ik haar eens verteld dat ik er niet van hou als mensen harde stemmen hebben, of als mensen met zachte stemmen hard praten. Dat ik haar desondanks leuk vond was een inconsequentie waar ze me af en toe aan hielp herinneren. Dat hoefde nu niet, want doodleuk dit soort gesprekken voeren in een volle trein maakte me er zeer van bewust dat ik alléén met haar wilde zijn, het onderwerp uitdiepen, samen, weg uit de trein.

Ik geloof niet zo erg in ongeschikt zijn’, zei ik. ‘Althans niet dat je ongeschikt kan zijn voor zoiets fundamenteels als partnerschap. Misschien ben je ongeschikt als discjockey of diepzeeduiker. Misschien ligt scheikunde je niet, of zal je nooit een goede hordeloopster worden, maar ongeschikt voor de liefde: ik denk niet dat dat echt bestaat. Het is op een bepaalde manier verleidelijk om dat te geloven en te verkondigen, maar wel op een weinig constructieve manier. Net zoals het wel makkelijk is om niet te hoeven stoppen met geld uitgeven zodra ik besluit ongeschikt te zijn voor sparen of verstand voor financiën. Het bewijst niks anders dan zichzelf.’

Terwijl ik dat zei verstevigde ik mijn eigen muur. Zolang je woorden hebt hoef je niet te voelen, te accepteren. Ik verzamel woorden. Van logica trek ik me niets aan, want logisch klemt. Het zou mooi zijn als ik feitelijk zou doen waar ik me op voor laat staan: een leven gebouwd op moraal, ethiek en een ijzeren consequentie. Helaas is het achter het kamerscherm een chaos van jewelste. Ook ik word alleen maar gedreven door twijfel en angst en verlangen en het gevoel ongeschikt te zijn. Voor liefde en geluk, maar eigenlijk voor het leven in het algemeen.

De man naast me deed alsof hij zijn krant las. Zij keek naar hem en daarna naar mij. ‘Misschien’, zei ze, en toverde snel een glimlach tevoorschijn. ‘Maar toch. Ik weet gewoon niet of ik het kan’.

‘Je weet gewoon niet of je het wilt’, onderwees ik. ‘En dat is prima. Je hoeft het niet te willen, maar je moet niet zeggen dat je het wel wilt maar gedwarsboomd wordt door iets oncontroleerbaars’. Alleen het vingertje en een aureool ontbraken nog. Ik walg van mezelf als ik dit soort dingen zeg. Maar ik walg ook van degene die walgt van degene die dit zegt, dus wat zou het? Misschien is het nog altijd beter de schijn van een ethisch leven op te houden zonder het te doen, dan het is om niet eens meer de moeite nemen de schijn op te houden. Of zou er ook in die eerlijkheid troost schuilen?

‘Ik wil niet álles’, zei ze. ‘Ik wil stukjes van hoe we met zijn allen denken dat het eruit moet zien. Maar niet alles. Ik ben ook gewoon graag alleen en vrij. Het voelt altijd zo snel zo benauwd. Ik wil de versie die vrijheid geeft, lucht en rust. Niet de versie waarin ik steeds na moet denken of dat wat ik doe wel mag, hem niet ongelukkig of boos of verdrietig maakt. Het voelt alsof een deel van mezelf niet mee mag als ik dat land in wil. Begrijp je?’

Ik knik. Ik begreep het. We reden langs station de Vink en zouden snel in Leiden zijn. De remmen piepten terwijl ik opstond. Ik denk dat ze wist dat ik haar het liefst over mijn schouder zou gooien en mee naar huis zou nemen, of tenminste een zoen zou geven voor het uitstappen, maar in plaats daarvan legde ik de toppen van mijn wijs- en ringvanger kort op haar schouder en zei zacht ‘tot morgen’, en deed een poging tot een zwoele blik en een glimlach. ‘Tot morgen’, zei ze, zonder aanstalten te maken me ook aan te raken, of de indruk te wekken daar aandrang toe te voelen.

In mijn ooghoek zag ik de man die naast mij had gezeten naar ons kijken. Natuurlijk was hij weer verdiept in zijn krant toen ik naar hem keek, maar we wisten allebei dat dat niet echt zo was.

Weg

Vaak wil ik gewoon weg. Het maakt niet eens echt uit waar ik dan ben, op dat moment. Het is gewoon het idee van weggaan wat me trekt. Ik geloof zelfs dat het niet uitmaakt waarhéén ik dan wegga. Al is het meestal wel een rustiger plek dan waar ik ben. Maar dat gaat ook weer niet altijd op.
Wat ik probeer te zeggen: ik neig naar willen vertrekken. De boel versimpelen door mezelf uit de formule te halen. En blijkbaar ben ik er nog steeds niet achter dat er dan, voor mij, vanuit mijn perspetief, niet een simpeler formule achterblijft, maar een eenzame vertrekker.

Wat ik niet hardop durf te zeggen: leven is helemaal niet leuk. Ik durf het niet te zeggen, maar zo voelt het vaak wel. Want wat is er dan zo leuk? Ik kan het gewoon niet vinden, vaak. Soms is er opeens een flard. Een schuwe mus. Mensen vinden hun werk leuk, of hun partner, of muziek en dans, reizen.
Mensen houden van lezen, van drinken van seks, van eten, van elkaar. Mensen houden van dieren, bloemen houden van mensen, maar wie houdt er van mij? En misschien nog wel belangrijker: waarvan hou ik?

Het nadeel van twijfel is natuurlijk de ruimte. Niet eens zozeer de onzekerheid of de uiteindelijk te maken keuze de juiste is (immers, de twijfelaar zal betogen dat er niet zoiets bestaat als ‘de juiste’ keuze), maar de niet uit te sluiten mogelijkheid dat er opties over het hoofd worden gezien; de ruimte rondom en  tussen de bekeken opties. En de ruimte tussen die opties en de kiezer.

Je zou denken dat dit een redenering is die zichzelf oplost, omdat het onmogelijk is om zeker te weten dat je alle opties hebt overwogen (voor zover een twijfelaar iets zeker kan weten), maar dat is niet per se het geval. Wel zorgt de notie, dat het geen keuze is tussen twee opties maar een oneindige hoeveelheid, ervoor dat opties waarde (en dus ook relatieve waarde) verliezen. Dat maakt kiezen ingewikkeld, of zelfs zinloos. Niet kiezen is maar nauwelijks beter. Een dilemma. Een keuze. Terug bij af.

Maar: we gaan voorbij aan voorkeur, aan smaak. Intrinsiek ‘waardeloze’ opties onderscheiden zich van elkaar door perceptie van de kiezer. In feite komt de keuze daarmee niet neer op een keuze tussen twee (of meer) buiten de kiezer liggende opties, maar een confrontatie tussen de eigen voorkeur (en vooral: de daaraan ten grondslag liggende waarden) en de intrinsiek waardeloze verzameling opties. Niemands persoonlijke overtuiging is bestand tegen eindeloos op zich inbeukende overvloed aan waardeloze mogelijkheden. Dreunend en monotoon. Een oneerlijke, want niet te winnen strijd.

De twijfelaar is dus meer dan slechts iemand die moeite heeft met kiezen; dat zou te makkelijk zijn. De twijfelaar zaagt de poten onder de eigen stoel vandaan, uit overtuiging, uit te ver doorgevoerd principe. Wankeler en wankeler zijn positie in de branding van mogelijkheid. Kopje onder gaand in zijn poging het juiste te doen. Rustig gade geslagen door de zekeren, de daadkrachtigen, veilig op het droge.

Copyright 2013 ikvergisme // Aangedreven door WordPress