De man naast me in de trein kijkt strijdlustig voor zich uit. Hij heeft zin de dag een lesje te leren, zoveel is duidelijk. Zijn haren zijn nog nat van het douchen of de wet-look gel. Of een beetje van allebei. Hij ziet eruit alsof hij iets ouder is dan ik en stukken fitter. Ik ben maar moeilijk te genieten, vooral ’s ochtends en zo ongeveer nu, eind van de middag. Daartussen gaat het wel, met uitschieters naar beneden.
Het beste deel van de dag is voor mij de avond. En de nacht. Hoe vaak heb ik dingen die écht moesten gebeuren niet uitgesteld tot ná de kroeg, ná die ene film, ná middernacht? Omdat het dan gewoon goed is om stil te zijn. De dingen komen anders over ’s nachts, minder echt, ook in slaap. De nonchalance waarmee al die kleuren de dag doorkomen en brutaal weerstaan geeft me soms buikpijn. En zet me aan tot onnodige middagdutjes. Om het maar niet te hoeven zien. ’s Avonds komt me zoveel vriendelijker over. Een beetje meer gelijk.
De man knijpt zachtjes in zijn eigen neus. Hij doet het zachtjes, afwezig in zijn concentratie in de krant. Hij zal het zich straks niet herinneren, maar hij heeft het echt gedaan. Hij kneep onnodig lang in zijn neus. Hij lijkt tevreden met waar hij naar toe gaat. Hij zal het ook wel weten. En wat hij er gaat doen. Ik stel me voor hoe mensen eruit zien als ze in een boom klimmen. Sommige mensen zullen nooit in een boom klimmen en soms, denk ik, kan je aan iemand zien dat hij dat zelfs als kind niet leuk heeft gevonden. Maar mijn medepassagier is van het frisse hippe soort waarvan ik me moeiteloos voor kan stellen dat ze zelfs nu nog, gewoon om lekker gek te doen, nog wel eens in een boom klauteren. De doerak.