Terwijl we over straat liepen wist ik dat er iets was wat je niet wilde zeggen. Je was anders, maar toen ik je ernaar vroeg ontkende je. Toen ik me terugtrok, gekwetst door je weigering me toe te laten, voelde ik me nog ontoereikender. En zo waren we binnen een mum van tijd beland waar we steeds vaker leken te vertoeven: een staat van zwijgende afhoudendheid. We sjokten door de stad, en wezen elkaar soms verstild op een etalage, een gedachte of een plan. Ontdaan van enthousiasme. Verwondering. Plezier. We waren samen in de smalle betekenis, maar op geen enkele manier tilde het gezelschap van de ander de dag voor één van ons naar een hoger niveau, een niveau wat elk van ons alleen niet had kunnen bereiken. Misschien was het wel beter geweest, alleen, maar wie van ons durfde dat te zeggen? En dus sjokten we voort, gevangen in het idee dat we zonder duidelijke reden geen van beide durfde aan te sturen op even zonder elkaar zijn.
Nog een keer keken we elkaar aan. Ik probeerde met mijn blik mijn bootje verdriet aan te laten meren, maar je hield me af. Het is voorbij, zeiden je ogen. Als een constatering, meer dan een noodkreet. ‘nou’, begon ik, maar bedacht me. ‘ik vind’, probeerde ik, omdat ik weet hoe defensief je kan zijn, hoe je je nagels uitslaat als ik te dichtbij kom, ‘ik vind gewoon’, maar je deed de deur zachtjes dicht, en draaide het slot er op. Er zou zomaar iemand in kunnen breken, tenslotte. Er was blijkbaar niks meer te zeggen. Of te vinden.