Soms voelt het alsof er tussen mij en de werkelijkheid een lege ruimte ligt, een vacuüm, een onoverbrugbare afstand, waarover een wind waait die elke poging tot contact wegblaast, onverstaanbaar maakt. Een niemandsland, alsof ik door snel stijgend water gevangen zit op een zandbank, zojuist nog gewoon een stukje strand. Ik tob, ik twijfel, ik weeg af en becommentarieer. Ik leun achterover op de bok, laat de teugels naar mijn functioneren vieren, erop vertrouwend dat mijn lijf de bewegingen kent, mijn hoofd niet nodig heeft.
Maar soms voelt het anders, alsof ik voor mijzelf uit loop, mijn lijf een koppige ezel, de hakken in het zand, ballast die mijn ambities, mijn hoop en mijn plannen vertraagd, dwarsboomt. Dan ben ik zoveel sneller dan mijn gedachten en benen volgen kunnen, steeds moet ik wachten, en steeds zijn de kansen die me inspireerde allang weer verdwenen, tegen de tijd dat ik de boel weer op orde heb. Als een kind, dat met zijn vader op de kermis loopt, overspoeld door indrukken, niet in staat te kiezen welk gekleurd lampje het mooiste is, maar vooral sleurend aan de onwillige vader, die liever naar jonge moeders kijkt dan te doen alsof hij net zo enthousiast is als het kind.
En heel soms, op de spaarzame momenten dat ik en mijn lijf samenvallen, heel soms ben ik in mijn ogen. Mijn gedachten en dromen, mijn lijf en mijn handen in de maat. Heel even ben ik al wel hier maar nog niet daar. Het ritme van mijn hoofd en het ritme van mijn hart in balans. Heel even, tot ik weer een van de andere kanten opschiet.