Uncategorized

Bos

Hier is het soms angstig stil. Het voornaamste waaraan je die stilte herkent is als er geluid is. Contrast. De ene auto die er ’s avonds langs komt rijden klinkt als een vrachtwagen. Een muis in het bos klinkt als een struikrover.

Vannacht regende het. Het was geen storm, geen noodweer, geen tsunami. Gewoon regen. Maar die regen tokkelde op het dak boven mijn hoofd als een zich warmspelende jazzdrummer. De wind woei eikeltjes uit de boom. Tok!

Als je me zou zien en zou horen wat ik zou zeggen als je me zou vragen wat ik denk, en niet al van te voren zou denken dat wat ik ook maar ga zeggen toch maar is wat ik ga zeggen, dan zou je misschien niet hoeven zeggen en denken dat je me niet begrijpt en de afstand houden die je houdt.

Het probleem is dat ik niet niet kan denken dat als je me niet belt en aan me denkt, dat dat meer betekent dan dat je me niet belt en aan me denkt. Het is nogal moeilijk te geloven wat je zegt in het licht van hoe je je naar me laat zien. Wat is er voor nodig je te vergeten, je niet meer op het puntje van m’n dag te hebben, je verplaatsbaar te maken als al die andere dingen die ik zo makkelijk aan de kant zet?

Weg

Het leven is makkelijker op de plaats waar gevoel geen veto heeft, of in ieder geval niet alleen dat veto heeft. Waar gevoel democratisch en in alle openheid weggestemd kan worden, als van minder belang bestempeld kan worden. is dat aan te leren? Ik weet niet wat de bedoeling is, wat ik bedoel, waar ik naartoe wil, meer dan dat ik weet dat ik iets mis. Het blijft me moeilijker vallen ‘s ochtends op te staan, ‘s middags wakker te blijven en ‘s avonds te gaan slapen. het vervloeken van dat wat mijn dagen vult maakt het moeilijk niet te willen blijven liggen als de wekker gaat.

Verliefdheid is als een opstijgende eend. Jij bent het water, ik de eend. En ik ben het water voor jouw trappelende eendenvoetjes. Jij zet hard af en ik duw terug. We doen het samen.

Een eend heeft de aanloop nodig om op te stijgen. Het is nog geen vliegen, maar het is ook geen zwemmen.

In het begin is een belangrijk deel van wat ik leuk aan je vind het feit dat jij me leuk vindt. Ik vind jou leuk, ik vind het leuk om leuk te vinden en ik vind het leuk om leuk gevondne te worden. Dat geheel vind jij dan weer leuk, en ik vind jouw leuk als je uitstraalt het leuk te hebben, enz., enz.

Ik word leuker naarmate ik mezelf leuker vind. En jij ook.

Het gaat, kortom, niet alleen over of jij leuk bent. Of ik. Daar begint het mee, maar ik kan je niet leuk blijven vinden zonder dat jij mij leuk vindt. Dat kan wel, maar dat heet obsessie. fantasie. En leidt tot stalking.

Als ik probeer een relatie met je aan te gaan, maar jij houdt op me te laten zien dat je het leuk vind dat ik je leuk vindt: dat gaat niet lukken. Ik heb een beginnetje nodig, een fase van elkaar heel snel en heel vaak en heel intens de lucht in helpen. Daarna kan ik zelf vliegen. Maar ik kan niet vanuit stilsand vliegen. En ik kan ook niet opstijgen zonder water om me tegen af te zetten.

Kort geleden had ik een moment met jou. Een moment van ene paar weken, een handvol ontmoetingen, waarin we elkaar proefden.

Het moment waarop je, in het pashokje, je oude afgedragen spijkerbroek weer aantrekt, je voeten in die oude bruine schoenen laat glijden. Dát moment: waarop je je realiseert hoe nieuw die nieuwe broek voelde, hoe nieuw jíj je erin voelde; hoe anders het allemaal zat, daar in dat nieuwe ding. Maar ook: het moment waarop je beseft dat die oude broek dus écht niet meer kan. Dat moment, waarop je iets probeert, proeft, weegt, jezelf bekijkt hoe je erin uit ziet, wat het doet met je kont, je buik, de lengte van je benen. Dat is maar gedeeltelijk verstand.

Wij pasten elkaar een paar weken. En in bepaald licht stond het uitstekend. Maar toch: er knelde ook iets.

Zoals de bak waar ik twee weken terug een zakje ‘klimplanten-mix’ ik zaaide: niet alles komt uit. En niet alles wat uitkomt zet ook door.

Wij pasten elkaar, en voor even leek het alsof we niet alleen onze kopjes boven de aarde uitstaken, maar alsof we ons ook naar de zon zouden kunnen keren, aan groeien toe zouden kunnen komen.

Maar toen knelde het dus. Of het paste net niet bij dat ene jasje. En die oude broek zat toch eigenlijk nog wel lekker. Ik had ons graag zien bloeien.

Een van de meest aandoenlijke verhalen die ik ooit hoorde, was van het meisje dat zich een beetje een buitenbeentje voelde op school, hard haar best deed om aardig gevonden te worden, terwijl juist zij helemaal, volledig en compleet aardig is. Een aardiger iemand trof ik nooit. Ze vertelde me hoe ze zich, jaren later, nog steeds wel eens kon schamen voor de keer dat ze, in een klas op de lagere school, hard moest niezen.

Zoals we allemaal weten, vergt een harde, volle nies veel van je lijf. Alles zet zich schrap, en schudt op z’n grondvesten. Het meisje vertelde me, giechelend en zich zachtjes schamend, hoe ze die keer een luidruchtig windje niet binnen had kunnen houden, en hoe ze uitgelachen was door haar leeftijds- en klasgenootjes. Ik kon me bij haar niet voorstellen dat ze haar echt uitgelachen hadden, althans niet op een nare manier. Ik denk dat ze eigenlijk meelachten, net zoals zij zelf vertelde te hebben gedaan, uit schaamte, uit gene. Ik zag een soort striptekeningetje voor me, van een klein meisje wat een halve meter uit haar schoolstoeltje omhoog gestuwd werd door de pure kracht van haar nies, van het wolkje uit haar achterste.

Nooit vond ik haar mooier, maar dat vond zij, die geld uitgaf aan dure mascara en hoge leren laarzen, maar moeilijk te bevatten.

Als ik me niet hecht, als ik mezelf als los beschouw, onafhankelijk, autonoom, lukt het me soms om een moment van vrijheid te voelen. Een vraag die me rondom deze momenten teistert is die naar de natuur van voelen; kan je dat sturen, dwingen, richten? Is mijn gevoel een koppel paarden voor mijn koets, die ik vanaf de bok in toom kan houden, of zit ik stuurloos binnen, hopend dat mijn paarden de juiste afslag nemen? Is hetgeen ik ervaar langs de weg van de ratio, zoals de verstandelijke exercitie van autonomie een gevoel, of een herdecoratie van het echte gevoel, dat me aanzette tot actie, dat van machteloosheid?

Is mijn gevoel beïnvloedbaar? En zelfs als dat zo is, is het bijgestuurde gevoel dan sterk genoeg, of moet ik een oogje in het zeil blijven houden?

Een volgende vraag dringt zich op: is er zoiets als een echt gevoel, of bestaat gevoel slechts bij gratie van de toeschouwer, in plaats van dóór het oog van de toeschouwer? Wat ik bedoel is: als je er in zou slagen gedachteloos te zijn, zou je dan gevoel hebben? De bioloog zal misschien ‘ja’ zeggen, en ik kan hem niet tegenspreken. Als we honger, lust, slaap, dorst, kou of pijn onder gevoel scharen lijkt het me moeilijk betwistbaar dat deze ook in de hypothetische afwezigheid van gedachten hun staart zullen roeren.

Maar gevoelens als jaloezie, eerzucht, nostalgie, vernedering, schuld?

Het probleem van de oplossing om de gunstigste oplossing, het gunstigste perspectief van waarheid te kiezen, van waaruit de case-on-hand voor de beschouwer het voordeligst (of minst onvoordelig) is, is dat dit slecht combineert met verstand, realiteitszin. De richting van onthechting, stilstand is een destructievere, killere wellicht, maar ten minste een verstandelijk uitdagende. Een ander soort heroïek, maar tenminste een strijd, zij het dan een interne.

Kan ik de wereld van mij afschudden en inwaarts keren? Kan ik jullie allen buitensluiten, in een grote veeg van tafel vegen, niet omdat ik denk dat dat an sich een goed idee is, maar om te voorkomen dat ik in conceptuele gewetensproblemen kom op het moment dat ik niet anders kan ervoor te kiezen voor mijzelf te kiezen? Wat als het enige alternatief nog destructiever is? Sociaal geaccepteerd wellicht, maar simpelweg incompatibel met mijn geestelijke bedrading? Wanneer komt het moment te accepteren dat dat wat er ligt er zal blijven liggen? Wat is het moment waarop je moet zeggen: mijn boot moet nu varen, al is het dan maar in ondiep water? Ready or not…

Mijn gevoel is de lucht in de ballon van mijn waarheden, van mijn veronderstellingen, mijn mozaiek van ervaringen en gedachten daarover. Als ik mijn ballon sloop houdt de lucht erin op ánders te zijn dan de andere lucht: de lucht in mijn ballon ontleent haar apartheid van de andere lucht niet aan intrinsieke apartheid, maar aan de plaats van mijn ballon eromheen. Ik moet niet de lucht aanvallen, ik moet de ballon slopen. Volledig en genadeloos. Zodat er alleen nog maar ongedifferentieerde lucht overblijft. Niksheid.

De ‘gangbare oplossing’; een nieuwe ballon te maken met ‘leukere’ stukjes, is een schijnoplossing, omdat ik die stukjes niet bezit, en als ik ze leen of construeer, dan blijven het stukjes die niet door mij beleefd, opgevoed, gekweekt zijn, maar slecht geleende, geconstrueerde stukjes.

Dus tenzij ik een manier vind om leukere stukjes te laten groeien zit er niet anders op dan doorgaan met deze ballon, óf ‘m te verbranden. En dat is dan weer hetzelfde als afstand doen van het leven, het omarmen van de dood, het niets.

Een van de redenen waarom ik zo droevig kon zijn als we samen waren is het besef dat alle verbeteringen die ik mezelf voorhield te zullen ervaren zodra ik een vriendin zou hebben lieten op zich wachten. Ik werd niet zomaar een blijer, leuker en zekerder mens. Mijn baan was nog steeds gewoon mijn baan. Mijn huis was nog steeds gewoon mijn huis. Ik was nog steeds mezelf, alleen met een vriendin, in plaats van zonder een vriendin. Ik ga blijkbaar akkoord met een heleboel zolang ik mezelf voor kan houden dat het gebrek aan plezier in mijn leven voortkomt uit een onvermogen iemand bij me te willen laten zijn. Maar als ik die troef kwijt ben, als ik iemand zo gek heb gekregen, dan heb ik geen excuus meer om me neer te leggen bij wat me niet zint. En dan merk ik dus opeens meer dan ik dacht dat ik bepaalde dingen, aan mezelf, met mijzelf, helemaal niet wil zoals ze zijn. En dan heb ik niks om me achter te verschuilen. Niks om de schuld te geven…. Dat wil zeggen: dan ga ik jou de schuld geven. Dan wordt ik knorrig en somber. Dan verwacht ik van je dat je me elke avond wil bespringen, omdat ik me dat zo had voorgesteld. Omdat ik dacht dat ‘mijn vriendin’ het beste in mij boven zou halen. Ik had bedacht dat ik bepaalde dingen niet leuk vind omdat ik, zonder vriendin, niet mijn optimale zelf ben, en dat ik MET vriendin een soort beter versie van mezelf zou worden, die grote stappen voorwaarts zou maken. En als dat niet gebeurt, dan ga ik wroeten in de relatie, in jou, omdat het alternatief (wroeten in mijzelf) angstaanjagend is. Ik doe alsof, maar eigenlijk ga ik niet aan wat er aan te gaan is: ik vind mezelf niet leuk, ik vind mijn leven niet leuk, ik vind leven niet leuk. Alles is zwaar en moeilijk en tegen mij. Zo voel ik dat. En daar kan jij nooit van winnen.

En waarom voel ik me zo? Als ik dat nou eens wist….

Een van de fundamentele eigenschappen van perspectief is dat er niet 1 plek is van waaraf elk perspectief zichtbaar is. Daaruit volgt dat het zoeken naar die plaats bij voorbaat zinloos is, of tenminste niet volbrengbaar. Dat wil zeggen: je kan proberen perspectieven te inventariseren, maar net zoals een vakantiefoto’s slechts kort het gevoel van een zwoele Spaanse zomeravond kunnen terugbrengen, zo is een geïnventariseerd perspectief iets anders dan een ervaren perspectief. Natuurlijk kan het zinvol zijn een beslissing of een afweging te baseren op een aantal mogelijke situaties of scenario’s, daar wil ik geen tegenstander van zijn. Maar het lijkt me wel dat je je daarbij moet blijven bedenken dat je binding met elk extra perspectief verdunt. Maar misschien is dat te grofmazig.

Een prachtige quote van Einstein gevonden, toen ik op zoek was naar een andere. Ik zocht deze:

“Physical concepts are free creations of the human mind, and are not, however it may seem, uniquely determined by the external world. In our endeavor to understand reality we are somewhat like a man trying to understand the mechanism of a closed watch. He sees the face and themoving hands, even hears its ticking, but he has no way of opening the case. If he is ingenious he may form some picture of a mechanism which could be responsible for all the things he observes, but he may never be quite sure his picture is the only one which could explain his observations. He will never be able to compare his picture with the real mechanism and he cannot even imagine the possibility of the meaning of such a comparison.”

Maar vond deze:

“Life is like riding a bicycle. To keep your balance you must keep moving”

Toen ik autorijles had vond ik –en ik denk met mij velen anderen- invoegen op de snelweg het lastigste. Het lijkt die eerste paar keer zelfmoord. Mijn eerste gevoel was: ik ga stilstaan en wachten tot de weg helemaal leeg is, om dan op mijn gemak in te voegen. Levensgevaarlijk, dat begrijp ik, maar dat was mijn eerste –instinctieve- reactie. Het gevoel overviel me dat er teveel tegelijk gebeurt, teveel variabelen om rekening mee te houden, en dat het beter zou zijn de vergelijking te versimpelen, door mijn eigen snelheid constant te maken, op nul te zetten. Gewoon wat minder dingen om rekening mee te houden (de achteropkomende auto’s even buiten beschouwing gelaten).

Later blijkt dat het heel vanzelfsprekend voelt om gewoon mee te rijden op dezelfde snelheid en er rustig tussen te floepen. En nog wat later is de gedachte stil te gaan staan eentje om zachtjes in jezelf om te gniffelen en vooral niet verder te vertellen. Niet zo’n handig stukje, dit.

Wat ik probeer te zeggen: voor mij voelt snelheid niet iets wat je erbij kan hebben als je het gevoel hebt de handelingen die er verder van je verwacht worden (nog) niet onder de knie te hebben. Zoals toen in de auto en, inderdaad, toen ik leerde fietsen. Als Einstein gelijk heeft moet ik springen. Ogen dicht, tandjes op elkaar: hop! Durf ik dat? Wat zit er achter me?

Ik wil zo’n grote blauwe ‘L’ op mijn hoofd!

Copyright 2013 ikvergisme // Aangedreven door WordPress