Als ik me niet hecht, als ik mezelf als los beschouw, onafhankelijk, autonoom, lukt het me soms om een moment van vrijheid te voelen. Een vraag die me rondom deze momenten teistert is die naar de natuur van voelen; kan je dat sturen, dwingen, richten? Is mijn gevoel een koppel paarden voor mijn koets, die ik vanaf de bok in toom kan houden, of zit ik stuurloos binnen, hopend dat mijn paarden de juiste afslag nemen? Is hetgeen ik ervaar langs de weg van de ratio, zoals de verstandelijke exercitie van autonomie een gevoel, of een herdecoratie van het echte gevoel, dat me aanzette tot actie, dat van machteloosheid?

Is mijn gevoel beïnvloedbaar? En zelfs als dat zo is, is het bijgestuurde gevoel dan sterk genoeg, of moet ik een oogje in het zeil blijven houden?

Een volgende vraag dringt zich op: is er zoiets als een echt gevoel, of bestaat gevoel slechts bij gratie van de toeschouwer, in plaats van dóór het oog van de toeschouwer? Wat ik bedoel is: als je er in zou slagen gedachteloos te zijn, zou je dan gevoel hebben? De bioloog zal misschien ‘ja’ zeggen, en ik kan hem niet tegenspreken. Als we honger, lust, slaap, dorst, kou of pijn onder gevoel scharen lijkt het me moeilijk betwistbaar dat deze ook in de hypothetische afwezigheid van gedachten hun staart zullen roeren.

Maar gevoelens als jaloezie, eerzucht, nostalgie, vernedering, schuld?

Het probleem van de oplossing om de gunstigste oplossing, het gunstigste perspectief van waarheid te kiezen, van waaruit de case-on-hand voor de beschouwer het voordeligst (of minst onvoordelig) is, is dat dit slecht combineert met verstand, realiteitszin. De richting van onthechting, stilstand is een destructievere, killere wellicht, maar ten minste een verstandelijk uitdagende. Een ander soort heroïek, maar tenminste een strijd, zij het dan een interne.

Kan ik de wereld van mij afschudden en inwaarts keren? Kan ik jullie allen buitensluiten, in een grote veeg van tafel vegen, niet omdat ik denk dat dat an sich een goed idee is, maar om te voorkomen dat ik in conceptuele gewetensproblemen kom op het moment dat ik niet anders kan ervoor te kiezen voor mijzelf te kiezen? Wat als het enige alternatief nog destructiever is? Sociaal geaccepteerd wellicht, maar simpelweg incompatibel met mijn geestelijke bedrading? Wanneer komt het moment te accepteren dat dat wat er ligt er zal blijven liggen? Wat is het moment waarop je moet zeggen: mijn boot moet nu varen, al is het dan maar in ondiep water? Ready or not…

Mijn gevoel is de lucht in de ballon van mijn waarheden, van mijn veronderstellingen, mijn mozaiek van ervaringen en gedachten daarover. Als ik mijn ballon sloop houdt de lucht erin op ánders te zijn dan de andere lucht: de lucht in mijn ballon ontleent haar apartheid van de andere lucht niet aan intrinsieke apartheid, maar aan de plaats van mijn ballon eromheen. Ik moet niet de lucht aanvallen, ik moet de ballon slopen. Volledig en genadeloos. Zodat er alleen nog maar ongedifferentieerde lucht overblijft. Niksheid.

De ‘gangbare oplossing’; een nieuwe ballon te maken met ‘leukere’ stukjes, is een schijnoplossing, omdat ik die stukjes niet bezit, en als ik ze leen of construeer, dan blijven het stukjes die niet door mij beleefd, opgevoed, gekweekt zijn, maar slecht geleende, geconstrueerde stukjes.

Dus tenzij ik een manier vind om leukere stukjes te laten groeien zit er niet anders op dan doorgaan met deze ballon, óf ‘m te verbranden. En dat is dan weer hetzelfde als afstand doen van het leven, het omarmen van de dood, het niets.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Copyright 2013 ikvergisme // Aangedreven door WordPress