Het is de vraag hoe om te gaan me de dingen die soms gebeuren als je jezelf zo uitput dat de meeste dingen langs je heengaan, terwijl je wacht op wat er onvermijdelijk komen gaat. Het is op die dagen dat de regen het hardst valt dat je opeens weet wat je te wachten staat. Het is een omweg richting de voordeur, want het lijkt allemaal eenvoudig, maar tegelijkertijd denk je dat je het nooit zal weten. Want dat is toch uiteindelijk waar we allemaal terecht zullen komen, denk je ook niet? Waarom nu? Waarom ik? Het zou zo ongelofelijk fijn zijn als er iemand met een beginnetje van een antwoord was. Dus ik moedig iedereen die denkt me te kunnen helpen aan dat te doen. Probeer het maar! Waarschijnlijk werkt het niet, maar wie weet. Ik heb tijd en nood, dus kom maar op. 

Het staat me tegen hoezeer ik niet anders kan dan de hele tijd mezelf zien in de dingen die ik zie en denk en voel. In alle dingen die me storen ben ik het in het midden. In alle dingen die niet werken ben ik de stok in het wiel. In alle dingen die schuren ben ik het scherpe randje. Hoe mooi zou het zijn als ik kon zien in hoeverre dingen zijn zoals ze zijn door mij, of dat ze ook zo zouden zijn zónder mij? Dat daar een keer duidelijkheid over zou komen?

Ik wou dat er een manier was om te weten wat gezond is. Wat goed is. Waar voldoende ophoudt en matig begint. En waar matig ophoudt en onvoldoende begint. Op de middelbare school werd de suggetie gewekt dat die grenzen duidelijk en meetbaar en transparant waren. Een bepaalde hoevee l fouten per punt, ofzoiets.In mijn leven is er steeds alleen een status. Een huidige positie. En de meetlat waarlangs ik die status leggen kan is een volledig subjectieve, tijdelijke, situationele, bochtige en aan ochtendhumeur-onderhevige. Hoe daarop te sturen?

Er is geen eenheid en geen -meter voor de dingen waarover ik dub. Wanneer is iets teveel, te weinig, te groen, te bleu, te soft, tekort, genoeg? Waar?

Het lastige van de overwinning van de eenzaamheid, is dat de plaats waar je uitkomt er een is van onbereikbaarheid. Eerst was je bereikbaar maar werd je niet bereikt (om welke reden dan ook), nu ben je onbereikbaar geworden en kán je niet meer worden bereikt (al zou men het proberen). Het was eenzaam, nu is het vooral erg alleen. De ironie is dat daar waarvandaan je vluchtte in essentie minder alleen was dan deze. De eenzaamheid dreef je tot deze veroordeling. Als een veteraan.

Het woord. Ik dacht: een vriend. Wat bleek: een vreemde. Hooguit het minst vreemd. En misschien is dat het maximaal haalbare.Je hebt kunst, waarbij, als je op de juiste plek staat, er een coherent beeld, met een conventioneel perspectief, voor je verschijnt. maar als je vanaf die plek opzij stapt bljikt dat het beeld niet alleen uit allemaal onverwachtte onderdelen bestaat, maar dat die onderdelen ook nog eens op een bijzondere manier in de ruimte staan opgesteld, zodanig dat er maar één plaats is waarvandaan het een logisch geheel vormt (of lijkt te vormen). En dat ene punt is er recht voor. De beginsituatie. 

De ironie is natuurlijk dat die plek er in de werkelijkheid niet is. Die plek bestaat niet behalve in die kunst. In het echt is er geen weg terug. Je denkt van wel, dat je even wat anders moet doen, (zoals in die droom waarin je even naar de supermarkt gaat om kauwgom te koopen terwijl je onderweg bent om het lot in te wisselen waarop, zo weet je, 5 miljoen euros én 32 maagden zijn gevallen, omdat je weet dat je nog ruim de tijd hebt om het lot in te ruilen en dus kan je ook nog wel even die trap op en die aap aaien en dan, en toen en opeens is het donker en is er paniek en is alles mislukt en hoe kmn je zo stom zijn!) maar dat het allemaal onder controle is. Maar hoe harder je probeert, hoe beter je je best doen: er bestaat geen weg terug. Taal: fantasie. De liefde: behang. Vooruitgang: een spiegel. Groei: afleiding. Rust: verdoving. Gled: het riool. Hoop: drijfzand. 

Er bestaat geen perspectief waarvanuit het klopt. Het wordt alleen maar minder. Chaotischer.Vooral voor hen die zich solidair verklaard hebben aan dat perspectief. Mijn strengheid berust op het bestaan ervan. Mijn wijsheid. Foetsie.

Het feit dat ik weiger mee te strijden, om competitief te zijn en te willen winnen, wil niet zeggen dat ik niet geïnteresseerd ben in de genoemde resultaten; ik ben niet bereid de eraan verbonden risico’s te nemen en de rompslomp eromheen te aanvaarden. Dat maakt me misschien lui en laf, maar niet dom of on-ambitieus. Die conclusie zou kortdoordacht zijn.

Is het raar om te hebben gedacht: “dat zal ze leren!”, toen er twee vliegtuigen het TWC invlogen? Sluit dat uit dat ik daarnaast, daarna, sindsdien, óók heb gedacht: “het is verschrikkelijk”? 

En áls ik dat heb gedacht (en dat heb ik), betekent dat dan automatisch dat ik geweld verheerlijk, een extremist ben, een vijand van de staat?

Is het raar om soms te denken: “hij is zwart”, wanneer ik iemand zie die zwart is?  En zelfs soms “heb ik mijn portemonee nog?”. “Is er daar verderop niet óók nog een zitplek?”. “Hoe zou zij eruit zien zonder truitje, in mijn bed?” Zijn dat in zichzelf slechte gedachten? En stel dat dat slechte gedachten zijn, maakt het incidenteel hebben van die gedachten mij dan ook slecht? Net zoals het af en toe hebben van goede gedachten mij niet voor altijd goed maakt? See what i did there?

Met andere woorden: het hebben van gedachten waar je zelf soms van schrikt, die je zelf bevraagt, waar je met enige schaamte op terugkijkt: dat is het probleem niet. Dat mag, dat is goed, dat deed je moeder ook, en Ghandi, en Mandela en wie-het-dan-ook-moge-zijn-wie-je-bewondert. Je mag meepraten en je mag erop staan serieus te worden genomen , onafhankelijk van of je dat overkomt (het hebben van die gedachten). Je hoeft dat niet eerst af te leren of zoiets. Eenieder die je dat wil doen geloven: wantrouw hem of haar.

Erken dat je soms dingen verkeerd doet of ziet of voelt. Niet elk gevoel, elke gedachte of inzicht is een colloboratie met het gevoelde, gedachtte of geziene. Je kan je vergissen. Dat mag. En dat verplicht je tot niets. Zelfs niet tot het niet meer maken van dezelfde vergissing.

Er zijn dagen waarop ik mij totaal niet weet te verhouden tot tot de wereld. Alles buiten de vensters van mijn ogen komt me voor als een totaal arbitraire interpretatie van iets heel anders, iets veel minder beslists. De anatomie van mijn handen en vingers ontroert me, het mechaniek van mijn ogen en de spieren die mijn oogbol besturen, en de lens en de lichtval en de wetenschap dat er een soort kabels van de achterkant van mijn ogen naar mijn hersenen lopen en dat ik die informatie dan op een bepaalde manier interpreteer en dat ik daar dan woorden voor heb en dat ik die woorden kan uitspreken en dat jij die woorden dan hoort en hopelijk een vergelijking kan maken tussen de afgesproken betekenis van die woorden en een eerdere eigen ervaring met iets waaraan je vergelijkbare woorden gaf, of de herinnering waaraan je met dezelfde woorden labels hing alvorens je ze opborg: de compexititeit en onwaarschijnlijke fragiliteit van dat systeem maakt me van slag en sprakeloos en geeft me een gevoel van eindeloze voertuigheid. Ik ben een enkele verhuisdoos in de enorme verhuizing van de soort en de aarde en alles erop en haar geschiedenissen, dwars door de tijd. Dat wat ik als mijzelf beschouw is afleiding. De film in het vliegtuig die ons ervan weerhoudt te twijfelen aan de constructie van de vleugels en de angst verstomt, de angst die onheroepelijk komt als je nadenkt over waarom het waanzin is om met 100 mensen in een afgesloten blikje hoog door de lucht om een bal te vliegen, een bal met erom een klein laagje adembare lucht, in een zwart vacuum. Zonder einde en zonder begin. 

En er zijn dagen waarop het wel gaat, en ik kijk naar plaatjes van katten op het internet.

Ik zit op de vijfde verdieping van een kantoorgebouw en kijk uit het raam. Er rijdt een auto langs en ik vraag me af hoe ik daarover moet denken. Wat betekent dat? Moet dat wel? 

Uit het raam zie ik een heel klein stukje van Den Haag, een van de vele steden in Nederland. Een van de vele landen in Europa, en dan nog een van de kleinste. En Europa is dan ook nog eens een klein werelddeel, op een wereld die vooral uit water bestaat. De hoeveelheid dingen, kortom, die buiten mij gebeuren, is enorm. En de hoeveelheid dingen die er nu al in mij gebeuren, als reactie op de miniverzameling van dingen die ik kan zien en horen of waar ik weet van heb is al zó overweldigend… Hoe kan ik tot een andere conclusie komen dan dat het leven te veel is voor mij? Ik kan me er niet toe verhouden op een manier die me niet overlaadt, niet verloren laat voelen.

 Ik denk vaak en veel en ik let goed op de dingen die er rondom mij gebeuren. Al kan je betwisten in hoeverre ik echt nadenk. Ik verzamel materiaal. Veel meer dan ik nodig heb, vaak. Maar het is moeilijk vooraf te weten wat ik nodig zal hebben als het moment daar is. Het moment dat ik niet of maar half oplet, dat moment waarop ik in bed lig, of op de bank, een kopje koffie drink op het terras of mijn balkon; dat moment waarop ik met hele andere dingen in de weer ben, of in elk geval niet met het object van mijn nadenken (vaak tússen adere dingen in). Het zijn die momenten waarop me ineens iets helder wordt. Iets waarin ik ook duidelijk een aantal van de door mij verzamelde bouwstukken herken, maar dan opeens in samenhang. Een gebouw gebouwd terwijl ik andere dingen deed. Met de materialen die ik verzamelde in de veronderstelling ze nodig te hebben voor een verstandelijk keuzeproces. Maar dat bouwen is misschien ‘s nachts gebeurd ofzo. Maar zonder mij, in elk geval. Desondanks: het gebouw doet mij besluiten, de verzamelde delen niet. Dus welk stuk is dan eigenlijk het nadenken? 

De mechanische mens in mij laat zich soms voelen. De droom waarin mijn ledematen stevige opgeblazen en licht-suizende worsten zijn, als de torens van een luchtkasteel voor de erin rondtuimelende kinderen, is het moment waarop de afstotende werking tussen mijn lijf en mij enerzijds, en de werkelijkheid anderzijds zich het heftigst manifesteert. Ik voel me mij voorin mijn voorhoofd, in de controlekamer achter mijn ogen, tussen de kwetsbare wanden van mijn slapen. De wereld overziend. Op zoek naar de snelste weg erdoorheen. Als ik mijn geld niet hoefde te verdienen om een huis te kunnen betalen en kleren te hoeven kopen om op werk te kunnen verschijnen om geld te verdienen om…: ik zou mijn dagen vullen met de wrijving. Tussen vijn vingertoppen en de naden van mijn spijkerbroek, tussen mijn voetenzolen en de vloer, kleverig wanneer bijna droog. De beweging als ik slik, het geluid in mijn hoofd als ik zachtjes aan een kriebel krab. Hoe mijn tong in mijn mond ligt, half tegen mijn tanden aan, als een luie hond in een te kleine mand. Het is gewoon genoeg. Alles meer is extra en al snel te veel. Overdadig. Laat me maar.

Copyright 2013 ikvergisme // Aangedreven door WordPress